petervanlonkhuyzen.nl

‘Winnen maakt je slimmer en brutaler’

‘Succes is de grootste invloed op de hersenen die er bestaat’, aldus de Schotse hersenonderzoeker Ian Robertson, auteur van het veelgeprezen boek Het winnaareffect, over de biologie van onze sociale relaties. Ik zocht hem op in zijn standplaats Dublin voor een gesprek.

In 1995 kwam bokskampioen Mike Tyson uit de gevangenis, na het uitzitten van een straf wegens verkrachting. Om zijn carrière weer op gang te brengen, organiseerde manager Don King een gevecht tegen de tamelijk onbekende bokser Buster Mathis jr. Het werd een ongelijke strijd. Mathis wist Tyson nauwelijks te raken en was in drie ronden verslagen. Een sportjournalist schreef: ‘Tyson zou eerder van slag zijn geraakt van een klap van hangborsten.’

Tyson zou eerder van slag zijn geraakt van een klap van hangborsten

De arme Mathis fungeerde als ‘tomatenblik’, een term uit de bokswereld die duidt op een relatief makkelijke tegenstander, die als een soort opwarmer dient voor een belangrijk gevecht enige tijd later. Onbewust gebruikte de sport een principe waarvoor pas later bij dieren (en recent ook bij mensen) wetenschappelijk bewijs is gevonden, namelijk dat succes de hersenen verandert. (Overbodig te zeggen dat Tyson enkele duels later weer wereldkampioen was.)

Hoe kan de ene bokspartij maanden later nog effect op de andere hebben? Hersenonderzoeker Ian Robertson (63) schrijft in zijn boek ‘Het winnaareffect’ dat bij winst van een gevecht hoge concentraties van het geslachtshormoon testosteron in iemands bloed komen. Dat maakt die winnaar avontuurlijk en strijdlustig, en minder gevoelig voor pijn en risico’s, wat de kans op een volgende winst vergroot. Maar het testosteronniveau zakt snel weer weg. ‘Anders zou het waarschijnlijk leiden tot hartfalen’, zegt de geboren Schot in zijn kamer op Trinity College in Dublin, waar hij als hoogleraar werkt.

Het antwoord op de vraag waarom het effect bij de boksers zo langdurig is, ligt in de hersenen. Breinonderzoek toont aan dat bij individuen die onderlinge confrontaties vaak winnen, het aantal receptoren voor bepaalde hormonen, waaronder testosteron, stijgt. Als die hormonen wéér in het bloed komen, hebben ze méér effect. Bij dieren en mensen die vaak winnen, zijn de hersenen door de jaren heen veranderd, wil hij maar zeggen.

Het principe geldt voor alle dominante individuen: alfa-apen, topsporters, bestuurders en managers. Of het nu gaat om bokswedstrijden of onderhandelingen, het feit dat ze veel confrontaties hebben gewonnen heeft biologische gevolgen. ‘Winnen en macht geven een testosteronstoot die je slimmer en brutaler maakt. En bovendien minder empatisch.’

Robertson publiceerde 10 boeken en meer dan 250 wetenschappelijke artikelen over het vermogen van hersenen zich aan onze ervaringen aan te passen. ‘De grootste invloed op de hersenfunctie komt voort uit andere mensen’, zegt hij. ‘Onze sociale relaties veranderen ons het sterkst, we zijn immers sociale wezens. Onze hersenen functioneren niet geïsoleerd. Ik ontdekte buitengewone studies naar de invloed van macht op de hersenen. Als iemand laag op de maatschappelijke ladder staat, zie je daarvan effecten terug in verminderde cognitieve en emotionele functies. Omgekeerd zie je betere functies bij iemand hoog in de hiërarchie. Succes is de grootste invloed op de hersenen die er bestaat.’

‘Succes is de grootste invloed op de hersenen die er bestaat.’

De term ‘het winnaareffect’ bedacht Robertson niet zelf. Hij komt uit onderzoek naar groepsgewijs levende dieren. In één zo’n studie vechten twee muizen tegen elkaar, waarbij één van de twee een verdoving krijgt. De andere wint makkelijk, en als dat andere dier vervolgens tegen een onverdoofde soortgenoot vecht, is de kans dat het opnieuw wint, beduidend groter. Net als Mike Tyson die eerst tegen een ‘tomatenblik’ moest boksen om in vorm te komen.

Bij de winnende dieren wordt meer testosteron aangetroffen, en dat wordt als verklaring gezien. Behalve dat testosteron het lichaam op de strijd voorbereidt en zorgt dat risico’s kleiner lijken, zorgt het ervoor dat de hersenen beter functioneren en heeft het een positief effect op het dopaminesysteem, het beloningssysteem in ons hoofd. Winnen geeft een fijn gevoel, en doet verlangen naar méér winnen.

Volgens Robertson wordt iemands levensvreugde door twee zaken het meest beïnvloed. In de eerste plaats de familie, partner of persoonlijke levensomstandigheden. Daarnaast de baas. ‘Bazen kunnen dodelijk zijn. Ze kunnen zoveel stress bij mensen veroorzaken, dat die doodgaan. Dat is extreem, maar kan gebeuren. Aan de andere kant kunnen bazen hun mensen stimuleren en het beste in ze naar boven brengen.’

Mensen veranderen als ze baas worden, zegt Robertson. ‘En sommige mensen veranderen meer dan anderen. De baas worden kan verschillend gedrag veroorzaken, waarvan bepaald gedrag pathologisch is. Als een organisatie in problemen komt, ligt het meestal aan de baas. Terwijl de baas zich onbewust is van de effecten, durven zijn mensen hem niet meer tegen te spreken. Dat kan rampzalig zijn.’

Zelf beleefde Ian Robertson weinig plezier aan macht. Hij werkte 3 jaar in het bestuur van Trinity College, Ierlands meest prestigieuze universiteit, waarbij hij een grote reorganisatie moest leiden. En… hij haatte het.

‘Het leverde me enorm veel stress op. Slapeloze nachten. Ik herinner me dat ik in mijn schitterende 18e-eeuwse kantoor zat en tegen mijn assistent zei: weet je, macht doet me eigenlijk niks. Mijn assistent kan zich dat gesprek ook nog herinneren, want hij vond macht wél leuk. Hij is nu de rector van een grote universiteit in Australië, en heeft gewoon meer plezier in de baas spelen dan ik. Wat geen verkeerde zaak is, sterker nog: het is een goede zaak. Je kunt geen effectieve baas zijn als je niet een bepaalde machtsbegeerte hebt.’

Robertson keerde terug naar zijn leerstoel en werd weer hoogleraar. Maar toch wil hij dat hij destijds wist wat hij nu over macht weet. ‘Macht is een antidepressivum. En een antistressdrug. Dat komt door het effect op het dopaminesysteem. Macht helpt je ook om het bos van de bomen te onderscheiden. Het stimuleert abstract denken. En het verkleint je vermogen tot empathie. Dat laatste is waarschijnlijk nodig, omdat je besluiten moet nemen die goed zijn voor organisaties, maar slecht voor individuele mensen. Dan moet je niet te veel empathie voelen, anders raak je verlamd.’

‘Macht is een antistressdrug’

Maar ook een bepaalde acceptatie is nodig. ‘Je weet dat je besluiten neemt die grote gevolgen kunnen hebben. En iedereen maakt soms fouten, dat is onvermijdelijk. Maar daar moet je niet te veel over inzitten. Dat is nu eenmaal het niveau waarop je als leider werkt. Als jij je dat realiseert kun je ontspannen en er meer van genieten.’

Er zit volgens de hoogleraar een bepaalde aantrekkingskracht in macht, ook seksueel. Charisma heeft deels een seksuele component. Een ander aspect is dat macht ervoor zorgt dat je je meer op kansen dan risico’s richt. Het maakt dat leiders abstracter denken en een bredere visie ontwikkelen. Een visie is besmettelijk en inspireert mensen. Daardoor krijg je leiders die een heleboel mensen achter zich krijgen door te zeggen: “I have a dream!”

Er is ook een keerzijde. De invloed van macht op de hormonen en hersenen pakt lang niet altijd gunstig uit. Van macht wordt wel gezegd dat het verslavend is, en daar is steeds meer bewijs voor. ‘Macht kan een zware last zijn’, zegt Robertson. ‘Het heeft een enorm effect op het beloningssysteem in de hersenen, net als alcohol, cocaïne en seks. Dat systeem kan overgestimuleerd raken, en veranderen in een lust die niet meer kan worden gestild. Mensen kunnen terechtkomen in een quasi-verslavingscirkel, waarbij ze meer en meer macht nodig hebben om dezelfde ‘roes’ te bereiken. Het leidt tot de soort vreugdeloosheid die je bij drugsverslaafden ziet.’

Het mechanisme verliest volgens hem zijn capaciteit om meer en meer plezier op te wekken, en verandert in angst voor de afkickeffecten als je de macht verliest. ‘Je ziet het bij alcoholisten: ze drinken eerst omdat ze zich dan goed voelen, maar op een kritiek moment verandert dat. Dan drinken ze niet om zich beter te voelen, maar om te voorkomen zich slechter te voelen.’

Dat is ook waarom sommige mensen enorme fortuinen vergaren. De miljarden op een Zwitserse bankrekening geven het gevoel dat ze altijd machtig zullen blijven. ‘Iemand als Tony Blair heeft er bijvoorbeeld nooit aan kunnen wennen dat hij geen macht meer heeft. Hij houdt nog steeds kantoor alsof hij premier is, vergaart zo veel mogelijk geld en vliegt in een privévliegtuig. Andere voormalig wereldleiders zoals John Major en Bill Clinton hebben zich ontspannen teruggetrokken in de rol van gepensioneerde staatsman. Zij zitten niet gevangen in de macht.’

‘Tony Blair heeft er nooit aan kunnen wennen dat hij geen macht meer heeft’

De andere kant van de medaille is nog onbesproken. Als macht mensen stimuleert en zelfs slimmer maakt, wat gebeurt als macht ontbreekt? Is er ook sprake van een ‘verliezerseffect’ dat zorgt dat als mensen eenmaal verliezen, ze blijven verliezen?

Robertson: ‘Zo’n effect bestaat. In Nederland is bijvoorbeeld een studie gedaan waarbij mensen gevraagd werd zich een periode te herinneren toen ze zich machteloos voelden. Daarna moesten ze opdrachten doen. Alleen al het feit dat ze die herinneringen hadden gevoeld, maakte dat ze slechter presteerden. Hormonen, zoals het stresshormoon cortisol, spelen hierbij een rol. Maar de effecten zijn moeilijk voorspelbaar, omdat de individuele verschillen groot zijn. Sommige mensen hebben weinig behoefte aan dominantie. Als je hen bij een competitie laat winnen, krijgen zij juist cortisol in hun bloed, omdat het idee dat ze dominant zijn ze tegenstaat.’

‘De grote psycholoog David McClelland heeft een belangrijk onderscheid ontdekt. Enerzijds heb je het rauwe primitieve plezier dat je voelt omdat jij degene bent die het voor het zeggen heeft. Dat noemde hij persoonlijke macht. Maar er bestaat ook een andere soort macht, sociale macht, die mensen willen om iets te veranderen – hun bedrijf, de wereld. De twee drijfveren kunnen naast elkaar in één persoon bestaan. Iedereen die macht heeft, wil een bepaalde hoeveelheid persoonlijke macht. Je moet er plezier in hebben, anders kun je de stress niet aan.’

‘Maar het is beter om leiders te hebben die beide soorten macht in zich verenigen, omdat sociale macht de hormonale effecten verzacht. Overigens streven vrouwen gemiddeld meer naar sociale macht dan mannen. Een goede reden, dus, om meer vrouwen in leiderschapsposities aan te stellen.’

Dit artikel werd in november 2014 gepubliceerd in Management Team

Het winnaareffect (Maven, 2012) is verkrijgbaar in de boekhandel